Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 2/2025 van 9 januari 2025 geoordeeld, naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad van State, dat artikel 10, §3 van de Brusselse Huisvestingscode, dat een termijn van vijftien dagen bepaalt voor het instellen van een schorsend beroep tegen een administratieve boete, in overeenstemming is met de Grondwet indien het wordt geïnterpreteerd als zijnde verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
Context
In februari 2020 verbood de leidend ambtenaar van de Gewestelijke Huisvestingsinspectie de verhuur van twee woningen in een gebouw in Brussel. In september 2020, nadat twee administratieve boetes waren opgelegd, stelde de eigenaar van deze woningen een schorsend beroep in bij de gemachtigde ambtenaar van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting. Het beroep werd onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid (ingediend na de vijftien dagen termijn, waarvan de laatste dag op een niet-werkdag viel). De eigenaar verzocht vervolgens de Raad van State om de beslissingen van de gemachtigde ambtenaar te vernietigen op grond van het motief dat artikel 10, §3 van de Brusselse Huisvestingscode niet voorziet in de verlenging van de termijn tot de eerstvolgende werkdag indien de vervaldag op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag valt. Hierdoor beschikken sommige verhuurders over een kortere termijn dan anderen.
In december 2023 stelde de Raad van State een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof over de berekening van de termijn voor administratief beroep, en vroeg of deze termijn moet worden verlengd wanneer de vervaldag op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag valt.
Beslissing
Het Hof oordeelde dat artikel 10, §3 van de Brusselse Huisvestingscode in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het stelde vast dat de algemene regels voor termijnberekening, zoals bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, niet rechtstreeks van toepassing zijn op administratieve beroepen die georganiseerd worden door artikel 10, §3 van de Brusselse Huisvestingscode. Echter, het ontbreken van een verlenging van de vervaldag in gevallen waarin deze op een niet-werkdag valt, leidt tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen verhuurders. Dit verschil is niet objectief of redelijk te verantwoorden, vooral gezien de korte duur van de termijn, die betrekking heeft op administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter. Deze sancties vereisen een strikte naleving van de rechten van verdediging.
è Het Hof concludeerde dat artikel 10, §3 van de Brusselse Huisvestingscode onverenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien het niet voorziet in een verlenging van de vervaldag tot de eerstvolgende werkdag wanneer de
laatste dag van de termijn op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag valt. De Raad van State moet daarom, bij de oplossing van het geschil, rekening houden met het antwoord van het Grondwettelijk Hof.
Vragen over dit arrest : Neem contact op met Laurent Delmotte of Bart Van Hyfte





